Zazie dans le métro

Regie: Louis Malle (1960)

Toen Louis Malle aankondigde de bestseller Zazie dans le métro van schrijver Raymond Queneau te gaan verfilmen, twijfelden veel mensen aan de haalbaarheid van het project. Het boek viel immers op vanwege het taalgebruik. Queneau schreef spreektaal, vond nieuwe woorden uit, speelde met de grammatica, kortom, hij brak met de conventies van de literatuur. En probeer dat maar eens naar het witte doek te vertalen. Het resultaat was een film die inging tegen alle filmwetten van die tijd. Net als de films van de Nouvelle Vague, die op datzelfde moment de filmwereld op zijn kop zetten. Ten onrechte wordt Malle daarom wel eens onder zijn vakbroeders van de nieuwe stroming geschaard. Maar zijn drijfveren waren niet dezelfde als die van bijvoorbeeld Jean-Luc Godard of François Truffaut. Bij Louis Malle staat iedere film op zich, en door heel zijn oeuvre is er maar een constante factor. De maker, Malle zelf.

Zazie, een meisje van bijna tien jaar oud, komt een weekendje bij haar oom Gabriel in Parijs logeren. Ze heeft zich op een ding verheugd: het rijden met de metro. Maar wanneer ze arriveert blijkt dat het metropersoneel het werk heeft neergelegd. We zien vervolgens hoe het rebelse meisje kennis maakt met de buurt waar Gabriel woont. Een typische Parijse arbeidersbuurt, met dronkenlappen, zakkenrollers, vlooienmarkten en kinderlokkers. In Parijs beleeft Zazie de wildste avonturen. Zo wordt ze achternagezeten door politieman Trouscaillon, wordt oom Gabriel ontvoerd door een bus vol toeristen, en maakt ze iedereen die ze ontmoet horendol met haar vragen en haar grove taalgebruik.

Regisseur Louis Malle heeft er niet voor gekozen om alle taalgrappen en nieuw verzonnen woorden van Queneau in de film te gebruiken. Dat zou dan ook ingaan tegen de geest van het boek. In plaats daarvan doet hij met de film wat Queneau met de literatuur doet. Hij vervangt de woordenfantasie door een beeldenfantasie. Waar Queneau speelt met de grammatica van taal, speelt Malle met de grammatica van de film. Hij gebruikt beeldversnellingen en vertragingen en allerlei visuele grappen. Vioolmuziek bij een violist die speelt zonder viool, een baby in de aanbieding op de markt, de acteurs verwisselen plotseling van plaats van het ene beeld op het andere, schoenen die uit zichzelf bewegen, wanneer het over Duitse soldaten gaat lopen die ineens door het beeld. En verder allerlei verwijzingen naar andere films: Hiroshima mon amour, de scène in de fontein van La dolce vita, Tati, de komedies van Chaplin.

Zazie dans le metro wordt wel eens omschreven als een komedie. Dat is niet helemaal onterecht, maar Zazie is tegelijk veel meer dan een humoristische film. Louis Malle gebruikt de komedie namelijk om zijn visie te geven op het Parijs van die tijd. Aan de ene kant het Parijs van de toeristen, met de Eiffeltoren, het Panthéon, en al die andere bijzondere gebouwen, en aan de andere kant het Parijs van de inwoners, die zelf weinig hebben met de toeristische trekpleisters. Tussen de regels door zie je verder ook veel van de thematiek van de andere films van Louis Malle. De kinderwereld versus de wereld van de volwassenen, wat ook vaag terugkomt in Le feu follet en Le souffle au coeur, het moderne nachtleven in Parijs zoals we dat al zagen in Ascenseur pour l’échafaud, de behandeling van sociale structuren zoals in Les amants. Op het oog allemaal zeer verschillende films, maar met een verbindend element: Malle zelf.

Met Zazie dans le metro maakte Malle een wonderlijk vrolijke film, met een verrassend snel tempo. Het personage Zazie is een soort nichtje van personages als Amélie en Pippi Langkous, en door haar ogen wordt Parijs een surrealistische droomwereld. Een droomwereld waarin prachtig wordt verbeeld hoe Parijs hinkt op twee gedachten: de hang naar het oude, de nostalgie, en de onafwendbare vooruitgang.

Zazie dans le métro, met onder anderen Catherine Demongeot, Philippe Noiret, Hubert Deschamps, Carla Marlier, Annie Fratellini, Vittorio Caprioli, Jacques Dufilho, Yvonne Clech, Odette Piquet.

Fragment uit de film: